Filosofische Traditie

De westerse filosofie gaat meer dan 2500 jaar terug. Een van de meest tot de verbeelding sprekende filosofen is Socrates, die leefde in de 5de eeuw voor Christus.

Socrates was populair bij de jeugd van Athene. Hij wilde laten zien welke gevaren er schuilen in het kritiekloos accepteren van algemene opvattingen. Zo probeerde hij zijn gesprekspartners inzicht te laten krijgen in hun eigen mening. Dat deed hij door hen vragen te stellen over de manier waarop ze hun mening formuleerden. Socrates stuurde met zijn vragen aan op een groei van inzicht in het begrippenkader dat werd gebruikt. Hij confronteerde zijn gesprekspartners met de implicaties van ondoordachte formuleringen. Op deze manier zette hij zijn gehoor aan het denken. Door zijn aanpak ontstond er zo een onderzoek naar welke mening de meest acceptabele was.

Socrates hield van het trage traject waarlangs mensen tot inzicht komen. Als hij iemand tegenkwam die een onbezonnen mening verkondigde, bracht Socrates een proces op gang om tot een gezamenlijk inzicht komen in de zaak. Dat deed hij door het stellen van scherpe, aanhoudende, maar toch sympathieke vragen rondom het gehanteerde begrippenkader.

Een bekende uitspraak van Socrates is “Het enige wat ik weet is dat ik niets weet”. Een filosoof die werkt volgens de socratische methode zal zelf geen mening hebben, maar is nieuwsgierig naar jouw mening en mateloos gefascineerd door jouw begrippenkader. Hij zal geboeid luisteren naar jouw pogingen onder woorden te brengen wat je zeggen wilt. Hij zal niet moe worden te vragen of hij het nu goed begrepen heeft en daarmee of jij het goed begrepen hebt. Hij zal zich bekommeren om het door jou gebruikte begrippenkader.